Opiniestuk van Bertjan Olivier, bestuurslid WMF, dat op 8 september 2026 verscheen in De Standaard.

Uw frietjes worden niet duurder door een hectare natuur.

De tegenstelling tussen landbouwgrond en natuur is vals, schrijft Bertjan Olivier. Om te beginnen kan er zonder natuur van landbouw geen sprake zijn.

Bertjan Olivier, bestuurslid West-Vlaamse Milieufederatie

Na de voorbije zomer vol klimaatonheil bestaat er geen twijfel meer: onze leefomgeving moet veerkrachtiger en zorgzamer worden ingericht. We moeten keuzes maken over de weinige open ruimte die we nog hebben. Toen minister van Klimaat Melissa Depraetere (Vooruit) onlangs zei dat er te veel landbouwgrond is, kreeg ze meteen de wind van voren: “Onzin, landroof, blijf van de grond van de boer.” Maar dat gesprek gaat meteen weer over hectaren en is daardoor naast de kwestie.

Natuur is onze publieke infrastructuur. En we onderhouden ze al 50 jaar niet. Natuur is onze goedkoopste airco. Een straat met volgroeide bomen is enkele graden koeler dan diezelfde straat zonder bomen. Een klaslokaal waar het 35 graden is, is een klas waar niet geleerd wordt. Natuur is ook onze waterfabriek: West-Vlaanderen haalt zijn drinkwater grotendeels uit oppervlaktewater, waarin al jaren te hoge concentraties pesticidenresten opduiken. Elke euro die nodig is om die schadelijke stoffen er weer uit te zuiveren, betaalt u, niet de vervuiler.

Natuur is onze spons: droogte en wateroverlast zijn twee symptomen van dezelfde ziekte. Water dat in de bodem infiltreert, staat in februari niet in uw kelder en ontbreekt in mei niet bij de kieming van de gewassen. Elke hectare natuur die water vasthoudt, is een spaarbekken dat we niet moeten aanleggen.

Wie groen in de buurt heeft, beweegt meer, slaapt beter, gaat minder naar de dokter en leeft langer. Wie een grote tuin heeft, merkt minder van de hitte dan wie een appartement heeft zonder terras. Deze zomer moesten natuurgebieden gesloten worden vanwege de stormloop aan bezoekers. Groen dichtbij is de enige uitstap die voor iedereen betaalbaar is.

Natuur is de enige infrastructuur die zichzelf herstelt en met de jaren beter wordt. Natuur is ook nodig voor de landbouw: bestuivers, bodemleven, houtkanten die de wind breken, water dat in de zomer nog in de gracht staat.

Natuur naar de marge

Wie beslist hoe de open ruimte wordt ingericht, beslist over onze veiligheid en over onze facturen. In West-Vlaanderen heeft amper 7 procent van de oppervlakte een groene bestemming. Het Vlaamse gemiddelde ligt op 16 procent. Europa mikt op 30 procent beschermde natuur tegen 2030.

De bosindex van West-Vlaanderen bedraagt 2,3 procent. We zijn de bosarmste provincie van de bosarmste regio van Europa. En de natuur die er wel is, is stelselmatig naar de marges geduwd: de berm, de hoek achter het bedrijventerrein, de strook langs de beek.

Onze ruimtelijke ordening steunt nog grotendeels op de gewestplannen uit de jaren 70. Toen bestonden er geen waterbommen, geen hittedoden, geen droogtecrisis, geen biodiversiteitscrisis. Toen was beton vooruitgang. Ondertussen is alles veranderd, maar we verdelen de ruimte van 2026 nog altijd langs de pennentrekken van 1976.

Die opdeling strookt niet met de realiteit. Ruim 783.000 hectare staat ingekleurd als agrarisch gebied. In de verzamelaanvraag geven onze land- en tuinbouwers ongeveer 613.000 hectare aan. Het verschil bestaat uit huizen, tuinen, wegen, paardenweiden, zelfs bos. De Boerenbond rekent het zelf voor dat nog geen 77 procent van het agrarisch gebied in landbouwgebruik is.

De nieuwe natuur moet niet zomaar kriskras door het landschap komen, maar daar waar de winst het grootst is: in de natte beekvallei die het water vasthoudt, in het waterwingebied dat ons drinkwater levert, in het stadsrandbos, in het speelbos naast de wijk. Dat is het landschap herstellen met de precisie van een chirurg. Al te vaak zijn die plekken in de jaren 70 met de grove borstel als ‘agrarisch gebied’ ingekleurd.

Gezonder eetpatroon

En wat dan met onze voeding? Negen op de tien Vlamingen vinden het noodzakelijk dat we genoeg voedsel van eigen bodem produceren, zo blijkt uit de peiling van de Boerenbond zelf. Maar die mensen vragen niet om meer hectaren landbouwgrond, ze vragen om ander voedsel op de huidige hectaren. Vandaag groeien op ruim de helft van onze landbouwgrond veevoedergewassen zoals maïs. Onze aardappelverwerking heeft een capaciteit van meer dan 6 miljoen ton, meer dan België zelf teelt. We voeren soja in om vlees uit te voeren. Onderzoekers van de UGent en Inbo rekenden voor dat Vlaanderen meer dan genoeg landbouwgrond heeft om zichzelf te voeden, zeker met een gezonder eetpatroon.

Er is te veel grond voor veevoeder en export, te weinig voor lokale en gezonde voeding, en veel te weinig voor natuur. De sector spreekt zelf over wijkers en blijvers. De blijvers zijn de grote, kapitaalkrachtige bedrijven. Zij raken aan grond, aan krediet en aan een vergunning. De bioboer, de jonge starter en de zijinstromer raken er niet aan. In 25 jaar tijd halveerde het aantal land- en tuinbouwbedrijven, hoewel het areaal ongeveer gelijk bleef.

Dat is een bewuste consolidatie die door het beleid versterkt wordt: wie al groot is, vangt de meeste steun. Wie klein en lokaal begint, betaalt de volle prijs. De concurrent van de bioboer is dus niet de natuurvereniging, maar de industriële boer die uitbreidt en de investeerder die grond koopt als belegging. In 2024 kocht Natuurpunt in heel Vlaanderen 798 hectare aan, in West-Vlaanderen 64 hectare. Landbouwgrond verdwijnt in dit land niet onder natuur, maar onder beton en bedrijventerreinen.

Uw frietjes worden niet duurder van een hectare natuur. Die prijs wordt niet op het veld gemaakt, maar op het hoofdkantoor van de verwerker en de retailer. Daar heeft de boer meer last van dan van de ontwikkeling van een natuurgebiedje op natte gronden in het drinkwaterwingebied. Maar of we in de toekomst nog frietjes van eigen bodem zullen kunnen eten, hangt wél af van het herstel van het landschap voor water en natuur.