Invoering modulaire omgevingsvergunnings-procedure: wijziging verschillende decreten

Een toelichting door de West-Vlaamse Milieufederatie

‘Rechtszekerheid’, ‘een glimworm mag geen fietspad tegenhouden’, ‘een Zwitserse organisatie moet in Vlaanderen geen vergunningen tegenhouden’… het zijn de discoursen die ingezet worden om een soepele vergunningverlening de weg te banen.
Dat het een hele onderneming is om een vergunning aan te vragen, dat is een feit. Dat de milieu- en natuurbeweging hiervan de oorzaak is, niet. Daarenboven is elke vergunning die omwille van een procedure niet verleend wordt, het voorbeeld van een overheid die haar eigen regelgeving niet naleeft. Maar toch…
De Vlaamse Regering wil het middenveld verder de mond snoeren. We berichtten eerder al over de aanval op artikel 23 (Grondwet) dat het verslechteringsverbod bevat (‘Morgen beter’). Maar de paden richting ‘vergunningenrevolutie’ zijn divers. En eentje is deze van de procedure zelf.
Op 17 juli besliste de Vlaamse Regering tot de eerste stap in het bemoeilijken van de procedure voor het middenveld. Wat zit er in?
1. De herzieningsprocedure ondermijnt de toegang tot de rechter
Het decreet voert een verplichte “herzieningsprocedure” in vóór een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb).

Concreet:
Termijn van slechts 15 dagen om een verzoek tot herziening in te dienen (vs. 45 dagen voor een beroep bij de RvVb).
Door de stel- en attentieplicht moeten alle grieven al in dat herzieningsverzoek nauwkeurig worden geformuleerd. Wie dat niet doet, kan die grieven later niet meer aanvoeren bij de RvVb.
Wie geen administratief beroep heeft ingediend, kan nadien ook geen herzieningsverzoek of RvVb-beroep meer instellen.
Voor een vzw is 15 dagen in de praktijk onvoldoende om een juridisch degelijk verzoek op te stellen zonder advocaat.
De Minaraad stelt letterlijk: “De procedure maakt dat de zorgvuldigheidsplicht wordt verschoven van de overheid naar de burger.”

2. Bijzondere bewijswaarde van deskundigenstudies marginaliseert inspraak
Milieueffectrapporten, passende beoordelingen en andere deskundigenstudies krijgen een bijzondere bewijswaarde. Ze kunnen slechts worden betwist bij “manifeste fouten.”
De Minaraad waarschuwt:
“Inspraak moet betekenisvol mogelijk blijven, zonder dat belanghebbenden systematisch genoodzaakt zijn om tegenexpertise te laten uitvoeren om hun standpunt te laten gelden.”
In de praktijk dreigen milieuverenigingen zonder eigen (dure) tegenstudie een zwaardere bewijslast te krijgen om bezwaren gestand te doen.

3. Decentralisatie van VLAREM-afwijkingen naar gemeenten
Tot nu moest wie wilde afwijken van algemene of sectorale milieuvoorwaarden (VLAREM II) dat aanvragen bij de Vlaamse minister. Voortaan beslist de vergunningverlenende overheid — gemeente of provincie — hierover zelf, ook als de afwijking niet expliciet toegelaten is in VLAREM. Bovendien vervalt de vereiste om technische redenen te geven.
De Minaraad vraagt een decretale adviesverplichting van de Vlaamse overheid voor dit soort dossiers, omdat lokale besturen vaak de nodige expertise missen. Het risico is een uitholling van de uniform beschermende werking van VLAREM.

4. Rol van adviezen verzwakt door oplossingsgerichte aanpak
Het decreet stuurt op “oplossingsgericht werken,” waarbij adviesinstanties vroeger en meer in dialoog met de aanvrager betrokken worden. De Minaraad waarschuwt dat dit kan conflicteren met de onafhankelijke, toetsende opdracht van die instanties:
“De overheid mag niet evolueren naar een louter begeleidende of adviserende partner van de aanvrager.”
Adviezen worden ook formeel niet-bindend bevestigd: de vergunningverlenende overheid moet ze “in rekening nemen” maar is er niet langer aan gehouden. De link met zorgplichten in andere beleidsvelden (natuur, gezondheid) wordt bovendien vaag geformuleerd.

5. Gedeeltelijke VEN-toetswijziging
De VEN-toets wordt bijgesteld: activiteiten voor het beheer van het VEN zelf worden uitgezonderd. De bredere aanbevelingen van de Gemengde Commissie — een significantiedrempel invoeren zodat niet elke schade getoetst moet worden, en de afwijkingsprocedure vóór de vergunningsprocedure mogelijk maken — worden niet in dit decreet opgenomen. De Minaraad vraagt alsnog te onderzoeken of die elementen coherent kunnen worden ingepast, zonder afbreuk te doen aan de Natuurherstelverordening.

6. Vooroverleg zonder structurele betrokkenheid van derden
Het recht op vooroverleg — een gestructureerd gesprek vóór de eigenlijke aanvraag, tussen initiatiefnemer en bevoegde overheid — wordt versterkt en formeel verankerd. Milieuverenigingen en andere derde-belanghebbenden zijn hier echter niet structureel in betrokken.
De Minaraad vraagt expliciet dat de vergunningverlenende overheid onderzoekt hoe “maatschappelijke actoren op een proportionele manier kunnen worden betrokken,” maar dit is geen verplichting in het decreet. Het risico bestaat dat besluitvorming de facto al grotendeels afgerond is vóór de openbare procedure begint.

Kortom: ondanks de duidelijke effecten van de klimaatverandering en onoordeelkundig gebruik van de ruimte, worden milieu- en natuurverenigingen verder de mond gesnoerd.

West-Vlaamse Milieufederatie, 27 juli 2026